De echtheid voorbij #2: de crash na een goede zomer

Dit is een tweede blog uit de reeks de echtheid voorbij. De eerste blog uit de reeks vind je hier. In deze reeks zal ik jullie meenemen doorheen het proces van de eerste psychose, tot de laatste nieuwe ontwikkelingen in mijn herstel, intussen bijna acht jaar later

In de maand juni van het jaar 2011 werd ik op zeventienjarige leeftijd ontslagen uit de psychiatrische jeugdafdeling. Het voelde alsof een wereld voor me openging, eindelijk ‘vrijheid’. Niet dat ik in de kliniek niet ‘vrij’ was. Maar het voelde toch helemaal anders.  Van die zomer herinner ik me niet meer zo heel veel. Ik ging op kamp naar Spanje en ging voor het eerst naar een festival, en ik had een gesprek met de kinderpsychiater. Ik herinner me nog dat ze bij afloop van dat gesprek zei dat ik goed bezig was. Ongeveer een maand lang heb ik me toen erg goed gevoeld. Hernieuwde vrijheid. Hernieuwde lucht. Eventjes kon ik leven. Eventjes kon ik ademen.

In augustus van dat jaar ging het weer bergaf. Stemming onder het vriespunt en veel hallucinaties. De duisternis kwam als een volleerd inbreker mijn hoofd binnen dringen. En in september werd ik weer opgenomen, dit keer in een kliniek voor volwassenen. Ik was de jongste van de afdeling. Ik was slechts drie dagen naar school kunnen gaan.

Op deze afdeling sliep ik vooral. Ik nam meer medicatie dan m’n lichaam toen leek aan te kunnen, met als gevolg dat ik heel weinig wakker was. Omdat ik zo weinig wakker was, kreeg ik telkens een pilletje extra. In de hoop dat ik uit bed zou blijven, me minder rot zou voelen. Maar ik was zo moe dat ik minstens zestien uur per dag sliep. En door alle extra medicijnen ging ik nog meer slapen. Het voelde alsof er een vrachtwagen over me heen was gereden. Ik verbleef zes weken op deze afdeling, en toen werd ik terug doorverwezen naar de kliniek waar ik eerder verbleef, de afdeling voor jongeren van vijftien tot achttien jaar.

Terug aangekomen in de jeugdkliniek, heerste er een enorme psychotische crisis. Ik verbleef een tiental dagen in een beveiligde kamer, deur en badkamer op slot. Als ik wou plassen, dan moest ik op het rode knopje boven mijn bed duwen, en dan kwam de verpleging de deur openen voor me. Sommigen luisterden aan de deur om te horen dat ik zeker aan het plassen was, en mezelf niet verwondde tijdens die zeldzame momenten dat ik ‘alleen’ was. Een paar keer per dag mocht ik op goed gedrag een wandeling maken met de verpleging. Verder bleef ik non-stop in die beveiligde, afgesloten kamer.

Dankzij de medicatie en gesprekken, ging de psychotische crisis relatief snel liggen. Ik verbleef een drietal maanden in de jeugdkliniek, en werd daarna aangemeld in een centrum voor psychische revalidatie, een soort dagtherapie. Zodra ik achttien was, mocht ik starten in dat centrum, dus ik bleef nog enkele weken thuis vooraleer ik naar daar kon gaan.

Het centrum voor psychische revalidatie was een verademing. Het creatief atelier deed me likkebaarden. Ik genoot er enorm van om zoveel te kunnen tekenen, schilderen, boetseren. Langs de andere kant liet ik de revalidatie wat aan me voorbij gaan. Ik benutte de gesprekken niet, dit omdat ik voornamelijk zo snel mogelijk wilde herstarten met school. Ik zweeg, vertelde niets over wat me bezighield, opdat ik sneller terug naar school kon gaan. Mijn pijn en verleden delen, leek voor mij enkel een ticketje naar uitstel van mijn schoolloopbaan en het behalen van mijn diploma secundair onderwijs.

In september van het jaar 2012 startte ik terug met school. Ik moest het vierde middelbaar opnieuw doen, ook al was ik al achttien. De jaren ervoor was ik soms slechts enkele dagen van een heel schooljaar naar school geweest.

Maar ik zou mijn middelbaar afwerken, vier jaar later.

In de periode tussen 2012 en 2015 verdween psychose naar de achtergrond. Trauma kwam op de voorgrond staan, en daar had ik een ferme kluif aan.

Advertenties

Elk jaar een trede van de ladder beklimmen, ook dit jaar

Vroeger keek ik enorm tegen de jaarwisseling op. Als puber beleefde ik oudejaarsavond en nieuwjaar drie jaar op een rij vanuit opname. Ik mocht wel naar huis om de feestdagen te vieren, maar het voelde dubbel. Ik vond het telkens beladen en kon over weinig meepraten met de anderen. Familie en vrienden studeerden of werkten, en ik had amper iets te vertellen. Mijn wereld bestond grotendeels uit psychiatrie en ik had geen zin om daarover te praten op feesten. Dus ik beleefde alles in een soort wazigheid. Het voelde alsof ik toen weinig perspectief had. Alsof deze situatie eindeloos en voor de rest van mijn leven was. En de jaarwisseling maakte me telkens bewust van de tekorten die ik mezelf aanmat. Ik vond mezelf niet voldoende. Ik vreesde dat ik nooit meer uit dat straatje zou geraken.

Op mijn achttiende beleefde ik de feestdagen voor het eerst terug ‘echt’ van thuis uit. En dat was zo speciaal. Ik kon ook na de feestdagen gewoon thuis blijven, moest niet meer ‘terug gebracht’ worden. Ik voelde me daar zo goed bij. Ik studeerde terug, behaalde -met vertraging- mijn middelbaar diploma. Ik werd verliefd, ging een relatie aan, trouwde. Deze dingen heb ik mede dankzij de hulpverlening kunnen verwezenlijken. Dus het was in eerdere blogposts zeker mijn bedoeling niet om psychiatrie af te schilderen als een onmenselijk iets.

Vanaf dat eerste jaar thuis, zijn er nog veel moeilijkheden en crisissen geweest. Er zijn nog korte en middellange opnames geweest, maar ze voelden anders aan. Ik voelde me geen ‘hulpeloze’ tiener meer. Ik was volwassen geworden, leerde langzaam aan denken over wat ik nodig had om te herstellen. En ik nam mijn herstel zelf in handen, met vallen en opstaan. Ieder jaar beklom ik een trede van de ladder, en dat zal ik ook dit jaar doen. De kans zit erin dat ik diverse keren naar beneden tuimel, meerdere keren opnieuw naar boven moet klimmen. Maar dat heb ik ervoor over.

In 2019 word ik vijfentwintig. Eerlijk gezegd had ik niet kunnen dromen om die leeftijd te halen. Ik zou niet oud worden, dat was ik zeker. Ik was te destructief om mezelf een leven te gunnen dat menselijk en leefbaar is. Ik stond mijn vooruitgang continu in de weg door gedachten als: ‘ik verdien dit niet.’ De kiespijn van een verleden was te pijnlijk.

In 2019 hoop ik de pijn steeds meer los te kunnen laten. Ik hoop op een pijn-arm jaar, zowel psychisch als op vlak van clusterhoofdpijn.

Ik wens jullie het beste toe.

Elektroshocks als het begin van iets nieuw

Afgelopen zomer kwam de hulpverlening met het idee op de proppen om een behandeling met elektroconvulsietherapie (ECT) een kans te geven. Had men mij dit enkele jaren geleden voorgesteld, dan zou ik wellicht gillend zijn weggelopen. Het klinkt ook eng, wat men in de volksmond ‘elektroshocks’ noemt. Onvermijdelijk ga je aan niet zo’n koosjere zaken denken, zoals de brute handelingen in ‘One Flew Over the Cuckoo’s Nest’. Maar het tegendeel was waar. Ik ervoer het als een enorm menselijke therapie.

Aanvankelijk dacht ik dat ECT enkel voor de ‘extreme gevallen’ was, wat dat dan ook mag betekenen. Toch leerde mijn ervaring me dat de behandeling bijlange geen ‘eindstation’ was. Voor mij betekende het juist ‘een nieuw begin’.

Bij de start van de elektroconvulsietherapie nam ik bijna acht jaar antipsychotica. Vanaf mijn zestiende nam ik non-stop medicatie. Die pillen en soms ook injecties deden wel iets, maar het bleek telkens niet voldoende te zijn in combinatie met allerlei andere behandelingen. Het voelde alsof mijn behandeling een driehoek was waarin er een hoek ontbrak. Het bestond lang uit medicatie + psychotherapie. De ECT leek uiteindelijk een derde hoek van mijn behandeling te vormen. En pas toen voelde ik dat het ietwat ‘compleet’ was. Dat ik een grote stap voorwaarts kon zetten. Nu neem ik nog steeds medicatie, zonder zou het niet lukken. Maar de ECT heeft me die ‘boost’ gegeven die ik nodig had. Het maakte het leed zachter, de valse waarnemingen lichter.

Aanvankelijk had ik wel schrik. Ik was voornamelijk bang voor de narcose van de tien behandelingen, en het geheugenverlies dat de therapie vaak met zich meebrengt. Maar uiteindelijk bleek dit echt mee te vallen. Van de tien narcoses heb ik amper last gehad. En het geheugenverlies was tijdelijk hevig, maar ging snel weer liggen. Na de behandeling was ik soms gewoon wat verward, of had ik lichte hoofdpijn. Niets wat onoverkomelijk was dus.

Ik had een verkeerd beeld van elektroconvulsietherapie, zag het als iets gruwelijk, wat het helemaal niet was. Het leek me eng om een elektrische stroomstoot toegediend te krijgen, die op zijn beurt dan weer een ontlading in de hersenen veroorzaakte. En dat net die ontlading me zou beter maken. Het klonk ronduit griezelig.

Maar uiteindelijk heb ik gewoon het gevoel dat ik tien dutjes heb gedaan, tijdens evenveel narcoses. En niet dat ik tien stroomstoten doorheen mijn hersenen heb gekregen.

Elektroconvulsietherapie was voor mij ergens een ‘nieuw begin’.

Het is niet mijn bedoeling de therapie nu te gaan promoten omdat het ook nadelen heeft (onder andere geheugenverlies) en niet bij iedere problematiek werkt.

Toch wou ik de vreselijke bijklank die de behandeling vaak krijgt, graag doorbreken. Want de huidige ECT is verre van wat het pakweg vijftig jaar geleden was.

Als je de ‘echte wereld’ niet meer kent

Van mijn vijftiende tot achttiende was ik vrijwel continu opgenomen. Ook daarna volgden nog vele opnames. Na een hele poos ging ik het ziekenhuis als ‘de echte wereld’ zien. Vrijwel alles werd van me overgenomen, ik had amper verantwoordelijkheden. En hoe slecht het ook ging, hoe hoognodig die opnames ook waren, toch hadden die langdurige verblijven in ziekenhuizen ook een grote keerzijde. Ik geraakte het leven in een ziekenhuis gewoon.

Naar school gaan was niet haalbaar. Ergens was ik ook bang voor school, voor ‘het echte leven.’ Hoe langer ik opgenomen was, hoe minder ik het zag zitten om terug naar school te gaan. De medeleerlingen van mijn leeftijd waren afgestudeerd, bouwden een leven op, gingen naar de hogeschool of universiteit. En ik bleef hangen in het vierde middelbaar, het jaar waarin ik voor het eerst opgenomen werd. En zo was ik plots achttien, en moest ik terug aan dat verrekte vierde jaar van de middelbare school beginnen.

Ik had amper contact met mensen buiten psychiatrie. De hulpverlening werd een vertrouwde wereld voor mij. Er waren, behalve aan de therapieën deelnemen en eens de afwas doen, weinig verplichtingen. Uiteindelijk werd de wereld van de psychiatrie ook ‘mijn wereld’. En hoe langer ik erin bleef, hoe moeilijker ik terug in de ‘buitenwereld’ ingeburgerd geraakte.

In de zomer van 2011, ik was zeventien, ging ik op zomerkamp met de mutualiteit. Ik ging tien dagen naar Spanje met -voor mij wildvreemde- jongeren die nooit opgenomen waren geweest. De gesprekken gingen over relaties, hobby’s, verder studeren, vrienden,… En tijdens dat zomerkamp besefte ik pas hoe zonderling ik me soms voelde. Dit was mijn wereld niet. Ik was al jaren amper naar school geweest, had bijna geen vriendschappen buiten de hulpverlening. Mijn wereld had zich precies gereduceerd tot een kamertje in een instelling. En ook mijn vrienden waren bijna allemaal ‘psychisch kwetsbaar’. Dat bracht zowel voor- als nadelen met zich teweeg.

Een van de voordelen van die vriendenkring was dat ik zowat altijd begrepen werd, dat een half woord vaak voldoende was. En dat we hetzelfde ‘lot’ deelden, dat ook. Want hoe gewoon we die opnames ook waren voor ons, toch hadden we dit liever niet allemaal hoeven mee te maken. Mocht ik de tijd terug kunnen draaien, dan was ik vanzelfsprekend liever gewoon naar school geweest, had ik liever veiligheid kunnen opbouwen buiten die beschermende wereld van psychiatrie. Alleen was het niet haalbaar om naar behoren te functioneren. Dus ik werd vaak en lang opgenomen.

Achteraf lijkt het alsof ik opname als een vluchtheuvel zag. Als ik na een opname terug naar school ging, voelde ik na enkele dagen al dat het te zwaar werd voor me. Ik kon de druk niet meer aan, het studeren, het op tijd indienen van taken, het maken van huiswerk. Ook het sociaal contact liep stroef. Ik kon over weinig zaken meepraten omdat ik het niet kende. Ik wist niet wat het was om te functioneren als leeftijdsgenoten. Maar ik durfde het mezelf ook niet ‘leren’. Ik kon niet ‘leren leven’ omdat ik zo angstig was voor alles wat zich buiten psychiatrie situeerde.

Als ik nu op die jaren terugkijk, vraag ik me af of ik soms niet te snel voor een heropname ging. De begeleiding was broodnodig, maar ik vraag me af of de duur van de opnames wel ‘goed’ voor mij waren. Er waren opnames van enkele dagen, maar er waren ook periodes van een half jaar dat ik onafgebroken in een ziekenhuis verbleef. Het is gemakkelijk om achteraf te zeggen dat zaken ‘niet goed’ voor me waren. Want ik kan de tijd niet terugdraaien en zien hoe het geweest zou zijn mocht ik het toen anders gedaan hebben. Het is geweest zoals het was. Daar kan ik nu niets meer aan veranderen.

In ieder geval moedig ik de psychiatrische thuiszorg enorm aan. De afbouw van ziekenhuisbedden en de uitbouw van zorg in de eigen leefwereld. Ik wou dat dat aanbod er al was toen ik pakweg zestien was. Dat opnames toen korter konden, dat ik meer thuis kon zijn. Dat ik geen ‘tijdelijke thuis’ hoefde te maken van een ziekenhuis.

Ik denk dat een jongere zoveel mogelijk tijd in de eigen omgeving zou moeten doorbrengen. Want zelf heb ik het gevoel dat ik toen zo lang uit de maatschappij ‘verdween’, dat het steeds moeilijker werd mij te aarden in een ‘gewone’ leefwereld. De opnames hebben me geholpen, maar hebben ook een grote keerzijde. Ik durfde niet meer leven buiten psychiatrie.

Dit is geen pleidooi om psychiatrische opnames bij kinderen helemaal terug te schroeven. Psychiaters nemen geen jongeren langdurig op in een ziekenhuis als daar geen gegronde redenen voor zijn. Het zou voor mij alleen heel helpend geweest zijn om iets ‘tussen-de-twee’ te hebben. Iets dat zich tussen ‘opname’ en ‘volledig ambulante begeleiding’ situeert. En volgens mij doet de komst van de psychiatrische thuiszorg, al heel wat voor veel jongeren die zich in dezelfde situatie als ik toen verkeren.

 

‘Als je aandacht nodig hebt, kom het dan gewoon zeggen’

Eerder schreef ik een blog over zelfverwonding op de spoedgevallendienst. Hoe ik al dan niet behandeld werd als ik me na zelfverwonding aanmeldde op de spoeddienst. Zoals je leest in deze tekst, zijn deze ervaringen erg wisselend. Het grootste deel van de artsen ging er op een correcte manier mee om, of ze het nu begrepen of niet. Jammer genoeg was er ook een deel van het ziekenhuispersoneel dat er helemaal niet mee kon omgaan, en die me soms zelfs op een heel onhandige manier behandelde. Het leek me ook nuttig  iets te schrijven over hoe er met zelfverwonding werd omgegaan door niet-medisch geschoolde hulpverleners, tijdens en buiten opname.

Tijdens mijn allereerste psychiatrische opname, in 2009, verwondde ik mezelf nog niet zo ernstig dat ik medische zorgen nodig had. Het verplegend personeel van de afdeling kinderpsychiatrie verzorgde de wonden op een heel correcte manier. Geen preek, geen minder goede zorgen omdat het wonden waren die ik mezelf had toegebracht. Ze gingen op een aanvaardbare manier met me om. Achteraf werd er gesproken over de zelfverwonding, maar nooit het moment zelf. In mijn hoofd laaiden de gemoederen te hoog op om er op dat moment over te spreken. Achteraf volgde wel een gesprekje. Maar niet het moment zelf, dat kon ik toen niet.

Jammer genoeg waren er ook reacties van een heel andere aard. Als jongvolwassene ging ik bij verschillende instanties in behandeling die elk op een heel eigen manier omgingen met zelfverwonding. Zo waren er twee psychiatrische afdelingen die met een ‘kaartensysteem’ werkten. Een van de pot gerukt systeem waarvan het de bedoeling zou zijn dat mensen zichzelf niet meer gingen verwonden.

Het werkte als volgt. Bij opname in het ziekenhuis had je recht op één ‘gele kaart.’ Zoals bij een voetbalwedstrijd. Die gele kaart kreeg je bij zaken zoals alcohol- en druggebruik. Maar als je jezelf verwondde, dan kreeg je ook een knoert van een gele kaart cadeau. Gebeurde het nog eens, dan kreeg je een rode kaart. En dan moest je verplicht en zonder nazorg op ontslag. Dan konden de hulpverleners van die instantie niets meer voor je betekenen.

Zo ben ik in 2015 op ontslag gestuurd omdat het mijn tweede ‘gele kaart’ was. Eerlijk? Dit systeem hielp mij voor geen meter. Op de volgende afdeling waar ik behandeld werd, gold de ijzeren wet van de gele en rode kaarten ook. En dan ging ik mezelf stiekem verwonden. Ik wilde niet zomaar op ontslag gestuurd worden. Ik kon niet zomaar stoppen met zelfverwonding, en al zeker niet toen het verplicht was om te stoppen. Ik had de zelfverwonding in die mate nodig, dat ik me stiekem verwondde om aan het juk van de kaarten te ontsnappen.

Er is één moment geweest waarop ik mezelf te ernstig had verwond. Er waren hechtingen nodig om de wond te dichten. Schoorvoetend toonde ik de wond aan de  verpleegkundige die er toen werkte. Ze zei: ‘ah, ik heb nu geen tijd om met jou naar de spoeddienst te gaan, laat het maar dichtgroeien.’ Met als gevolg dat ik nu een breed litteken heb door een wond die niet mocht gehecht worden van de verpleegkundige van dienst. En die dus veel tijd nodig heeft gehad om te genezen. Ik vertelde de psychiater over dit voorval en zij ging de verpleegkundige erover aanspreken. Maar of dat gesprek effectief heeft plaatsgevonden, dat ben ik nooit te weten gekomen.

Ook de verbale reacties van hulpverlenend personeel waren niet altijd aanvaardbaar. Zo was er een forse vrouwelijke verpleegkundige die me na zelfverwonding letterlijk zei: ‘als je aandacht nodig hebt, kom het gewoon zeggen in plaats van je te snijden.’ Ik bleef rustig en zei dat onderzoek heeft uitgewezen dat zelfverwonding heel veel functies heeft. En dat die functies voor iedereen met een problematiek van zelfverwondend gedrag verschillend zijn. Zo deed ik mezelf voornamelijk pijn om mezelf te straffen voor zaken uit het verleden, en deed ik het niet om aandacht te zoeken bij het verplegend personeel. (Mocht ik er aandacht mee zoeken, dan zou ik het niet stiekem gedaan hebben om aan de gele kaarten te ontsnappen). Het antwoord van de verpleegkundige in kwestie was: ‘ik werk al dertig jaar met gevallen zoals jij en ik weet dat ze het stuk voor stuk doen om aandacht te zoeken.’ Einde gesprek.

Dit waren hele negatieve ervaringen toen ik hulp zocht voor mijn zelfverwonding. Maar gelukkig waren er nog instanties die het wel begrepen.

In 2016 was er een ziekenhuis die op een heel waardevolle manier met me omging. Daar behandelden ze me op een veel correctere manier. Als ik naar de spoeddienst moest, dan werd daar niet lastig over gedaan. Soms bracht één van de verpleegkundigen me zelfs. Er werd over gepraat, maar niet op een vernederende manier. ‘It’s part of the game’, zei de psychiater van wacht tegen de nachtverpleegkundige, toen die haar telefonisch op de hoogte had gebracht van de wonden die ik me die nacht had toegebracht. Zelfverwonding werd niet verboden, er kon over gepraat worden. En net die bespreekbaarheid maakte dat ik mezelf op een gegeven moment minder ging verwonden. Zowel in frequentie als ernst. De drang tot zelfverwonding zakte langzaam aan.

Na alle soorten hulpverlening die ik in mijn leven heb gehad, kan ik wel zeggen dat de niet-straffende manier van aanpak bij zelfverwonding mij het meeste heeft geholpen. Voor mij had het verbieden geen zin, omdat ik het dan stiekem ging doen. De open dialoog heeft me meer geholpen dan de ijzeren wetten van andere hulpverleningsinstanties. Erover spreken, dat maakte dat ik het op de duur ging snappen, waarom ik mezelf verwondde. En zo had ik het op de duur ook minder vaak nodig.

“Other times, I look at my scars and see something else: a girl who was trying to cope with something horrible that she should never have had to live through at all. My scars show pain and suffering, but they also show my will to survive. They’re part of my history that’ll always be there.”
Cheryl Rainfield, Scars

 

De echtheid voorbij #1: een eerste psychose

Dit is een eerste blogbericht uit de reeks ‘de echtheid voorbij’. In deze reeks zal ik jullie meenemen doorheen het proces van de eerste psychose, tot de laatste nieuwe ontwikkelingen in mijn herstel, intussen bijna acht jaar later.

Toen ik zestien was, kreeg ik voor het eerst met psychose te maken. Daarvoor was ik reeds opgenomen geweest met depressieve en posttraumatische klachten, in combinatie met zelfverwonding. Middenin een nieuwe opname, in 2011, kreeg ik een eerste, hevige, psychose. Daarvoor had ik wel al last van angsten die richting achterdocht gingen. Ik dacht dat men mij zou vergiftigen. Ik was ervan overtuigd dat ik vermoord zou worden. Toen ik net geen zeventien was, begon ik te hallucineren. In combinatie met de wanen die ik al een poosje had, werd de psychose gelukkig snel herkend door hulpverleners.

Ik herinner me dat ik een bad nam in de kliniek waar ik verbleef, en dat er een persoon op de rand van het bad stond, die naar me keek. Als door een wesp gestoken haastte ik me dat bad uit, en sloeg ik een handdoek om me heen. Toch bleef de (intussen overleden) persoon uit mijn verleden me aanstaren. Ik was bang en vluchtte de badkamer uit. Onderweg naar de gang had ik mijn eerste auditieve hallucinaties. De stem, een voor mij bekende stem, zei dat ik bij hem in de badkamer moest blijven, dat ik niet mocht vluchten. Ik liep aan een pijlsnel tempo door de gang in de hoop snel mijn kamer te bereiken. Eenmaal daar was de persoon uit mijn verbeelding weg. Ik hapte naar adem, voelde me paniekerig. Maar ik durfde er niets over zeggen tegen de verpleegkundige die toen avonddienst had in het ziekenhuis. Ik weet de hallucinaties aan het slaaptekort dat ik had. En het duurde nog heel lang voor ik iemand durfde vertellen over die eerste hallucinaties.

Na een relatief rustige nacht, stond ik de volgende ochtend toch op met een angstig gevoel. ‘Was ik gek aan het worden? Of was ik gewoon vermoeid?’ Naar de verpleging durfde ik niet gaan. Ik had al meerdere dagen en nachten in de isoleercel doorgebracht. De isoleercel maakte me zo bang dat ik zaken ging verzwijgen voor verpleging. Zaken waarvoor ze me wellicht niet eens zouden opgesloten hebben. Maar eenmaal getraumatiseerd door isolatie, is het iets wat bij mij heel lang aanwezig is gebleven. Nog steeds kan ik geen ziekenhuis of psychiatrische kliniek binnen wandelen zonder de angst voor het gevoel van die isoleercel. En de witte riemen rond mijn ledematen en buik. Fixatie en isolatie op zich, heb ik als erg traumatiserend ervaren.

De angst bleef nog lang aanwezig. En er kwamen intussen wel vaker hallucinaties opzetten. Ik hoorde stemmen van mensen die mij veel ellende hebben aangericht toen ik een kind was. Stemmen uit een verleden. Soms zag ik deze personen ook opdagen. Dan stonden ze voor mijn raam, zaten ze naast me in een zetel. Ze waren bijna continu aanwezig in mijn hoofd. De stemmen en het verschijnen van personen aan trauma gerelateerd. Alleen kon ik het onderscheid niet meer zien. Ik wist niet meer wat ‘echt’ was en ‘wat niet’. Ik geraakte in paniek. Maar ik zweeg. Uit angst voor te harde maatregelen.

Toch crashte ik op een gegeven moment tijdens de middagpauze in het psychiatrisch ziekenhuis. We mochten ons vrij bezighouden. Ik zat in de zetel iets te lezen. En de hallucinaties rezen de pan uit. Dit in combinatie met wanen als ‘het ziekenhuis heeft een complot opgezet tegen mij.’ Enzovoort. Ik besloot het tegen iemand te vertellen. En ik repte me naar het kantoortje van de afdelingspsycholoog. Hij kon wel even tijd maken voor me. Ik ging in één van de zeteltjes zitten en vertelde heel beknopt mijn verhaal. (Niet in detail, ik was bang dat mijn woorden tegen me gebruikt zouden worden)

De afdelingspsycholoog besloot het met de afdelingspsychiater te bespreken. Er werden zwaardere antipsychotica opgestart. Bij het volgende gezinsgesprek bij de psychiater, liet de arts de diagnose ‘psychotische stoornis’ vallen. Later zou blijken dat ik een bipolair-psychotische problematiek heb. In combinatie met ernstige traumagerelateerde problemen.

In juni 2011 werd ik ontslagen uit die kliniek. Maar er was nog geen licht te zien in de duisternis. Of misschien plots teveel licht. Ik vertel jullie dit later wel.

543087_551586448188259_333056933_n

foto uit 2011. Net ontslagen uit de kliniek. Terug verenigd met mijn lief, maar eigenwijs paard.

 

 

Nog 24 dagen!

poezie-ten-voordele-van-verwonderd-affiche-1539845842.jpg

In kader van de Warmste Week organiseer ik vanaf volgende week een actie ten voordele van Verwonderd VZW. De Vlaamse vereniging ter preventie van zelfverwonding.

In de ban zijnde van poëzie maakte ik drie postkaarten met elk één van mijn gedichten op. Dit omdat ik de preventie van, en belangenbehartiging rond zelfverwonding wil ondersteunen.

Het is een thema dat mij en mijn omgeving persoonlijk erg aanbelangt. En wij zijn niet alleen, maar liefst 17 procent van de jongeren geeft aan zich voor de leeftijd van 18 jaar minstens éénmaal verwond te hebben. Het is dus een onderwerp waarmee vele mensen van alle leeftijden te maken krijgen.

De poëzie-postkaarten kosten 6 euro voor een setje van drie. Je kan ze afhalen in Torhout, of ontvangen met de post.

Voor bestelling: mail gerust naar beirensjulie@hotmail.com

Eeuwige dank!

Julie